
| Mercedes-Benz R129 |
Geschiedenis van de R129 modelreeksDe wereldpremière van de nieuwe SL-modelreeks R129 was één van de hoofdattracties van de Automobiel Salon van Genève die in maart 1989 werd gehouden. Met de voorgaande modelreeks R107 hadden de volledig nieuw geconstrueerde typen 300 SL, 300 SL-24 en 500 SL behalve het basisprincipe praktisch niets gemeen. Opvallende verbeteringen tegenover het voorgaande model konden met betrekking tot de passieve veiligheid worden bereikt. Het ontbreken van een dakconstructie had een ten opzichte van de gesloten modellen afwijkende carrosserie-structuur en daarmee intensief ontwikkelingswerk vereist. De nagestreefde vormstabiliteit van de passagiersruimte kon door het samenwerken van verschillende structuurelementen worden bereikt.
Een integraal onderdeel van het veiligheidsconcept werd gevormd door de automatische rol-beugel, die voor het eerst in de autoproductie gerealiseerd werd en die de opdracht had in geval van het omslaan van het voertuig de overlevingsruimte van de passagiers veilig te stellen. Bij een dreiging van omslaan werd de rolbeugel door sensors gestuurd binnen 0,3 seconden elektromagnetisch uitgeklapt. Bovendien kon de beugel naar wens van de bestuur-der ook omhoog gezet worden. De hardtop bestond nu uit lichtmetaal en was daardoor ten opzichte van de hardtop van het voorgaande model 10kg lichter, ondanks grotere ruiten. Al met al kon men door een lichtere constructie een afname van het kale carrosserie gewicht bereiken, dat met 405kg, ondanks een verbeterde structuurveiligheid, slechts 20kg boven dat van het voorgaande model lag. Een verder kernpunt van de SL-specifieke inzittenden beveiliging werd gevormd door de nieuw ontwikkelde integraalzetels, die op basis van hun dragende structuur met hoge dwarsversteviging bij een zijdelingse botsing verhoogde veiligheid boden. Het dragende stoelframe, dat uit 5 onder hoge druk gegoten magnesiumdelen bestond, maakte het bovendien mogelijk het gordelsysteem met gordelspanners, gordelhoogte verstelling met daaraan gekoppelde hoofdsteuninstelling, alsmede de volledig elektrische bedienfuncties in de stoel te integreren. De elektrohydraulische kap waarmee de R129 standaard uitgerust was bood bijzonder veel comfort. Het dak kon binnen 30 seconden worden geopend en in zijn opbergruimte worden teruggeklapt of hier weer uitgehaald en dichtgeklapt worden. Tegelijkertijd werden de zijruiten en de rolbeugel naar beneden geschoven en aansluitend weer in hun uitgangspositie terug gebracht. Een verdere noviteit, die voor het eerst in de R129 modelreeks ter beschikking stond, was het zogenaamde windschot. Het windschot bestond uit een frame met luchtdoorlatend gaas dat zich met enkele handgrepen aan de rolbeugel liet bevestigen en in opgeklapte toestand het rij-comfort bij geopende kap duidelijk verhoogde, aangezien het windgeruis en tocht tot een minimum terugbracht. Met het oog op zijn technische uitrusting vormde de SL een combinatie van bewezen en nieuw ontwikkelde componenten. De wielophanging kwam in principe met dat van de limousines uit de modelreeksen W201 en W124 overeen. Verder werden alvast technieken uit de nog te introduceren W140 S-Klasse toegepast. Op verzoek was tevens een nieuw ontwikkeld hulpsysteem leverbaar, dat drie deelsystemen met elkaar combineerde. De niveau instelling en –regeling op de voor- en achteras had de opdracht de voertuighoogte bij draaiende motor steeds constant te houden. Met de automatische, snelheidsafhankelijke niveauverstelling werd op basis van de gereden snelheid het niveau van de auto verlaagd of verhoogd. Het derde component, het adaptieve dempersysteem ADS, maakte het door z’n verstelbare schokdempers en een complexe electronische regeling binnen minimale deeltjes van seconden mogelijk om door middel van 5 sensoren de demping aan de rij-situatie aan te passen. Overeenkomstig hun sportieve roep werden alle modellen van de R129 reeks standaard van 16” lichtmetalen velgen in 15-gaats design en met banden in de maat 225/55 ZR 16 voorzien. Deze in vergelijk met zijn voorganger grotere wielen lieten de inbouw van groter bemeten remmen toe, die op de verbeterde prestaties van de nieuwe SL berekend waren. Bij alle drie de modellen hoorde ABS tot de standaarduitrusting. ![]() Ook bij het motorenaanbod werd het nieuwe met het bekende gecombineerd. Alle drie de motoren van het oorspronkelijke modelprogramma werden standaard van een door een katalysator geregeld uitlaatgas-reinigingssysteem voorzien. De 3-liter zescilindermotor van de 300 SL had zich sinds jaren niet alleen in het voorgaande model, maar ook in de limousines van de W124 en de W126 reeks bewezen en werd in de SL nu in een opgewaardeerde versie ingezet. De belangrijkste verbeteringen bestonden uit het opnieuw vormgeven van de verbrandingsruimte, waardoor de ruwe uitstoot van Koolwaterstoffen verminderd kon worden, alsmede een wijziging aan het uitlaatgas-reinigingssysteem. Door het wegvallen van de dicht bij de motor geplaatste, thermisch hoog belaste voorkatalysator en de grotere diameter van de uitlaatpijp van de nu 2-strooms katalysator kon het vermogen van de M103 motor nu van 180 tot 190pk verhoogd worden. De 3-liter vierkleps motor van de 300 SL-24 was een nieuwe constructie, die uit de M103 was ontwikkeld en qua draaiende delen grotendeels met de tweekleps versie overeenkwam. Nieuw waren de vierkleps-cilinderkop en de voor het eerst bij een Mercedes-Benz toegepaste electronisch geregelde verstelling van de inlaat nokkenas. Samen met een hogere compressieverhouding en een electronische ontsteking met anti-klopregeling resulteerde dat voor de vierkleps M104 in een ten opzichte van de M103 met 40pk gestegen vermogen. Op de Salon van Genève zorgde de 500 SL voor bijzonder opzien, die als topmodel van de nieuwe SL-modelreeks met een 326pk sterke 5-liter V8 vierkleps motor was uitgerust en daarmee de sterkste Mercedes-Benz personenauto op dat moment was. Constructief baseerde de V8 vierklepper M119 zich op de al sinds 10 jaar bekende lichtmetalen 5-liter M117. Met het oog op de hogere prestaties had men vergaande modificaties aan het carterhuis, de krukas en de drijfstangen doorgevoerd. De beide vierkleps-cilinderkoppen waren een nieuw onder-deel, die net als de zescilinder over een verstelbare inlaat nokkenas beschikten. Doorslaggevend voor de toename van zowel vermogen als koppel waren naast de omschakeling naar de vierkleps-techniek de anti-klopregeling, alsmede de wijzigingen aan het uitlaatgas-reinigingssysteem. De productie van de nieuwe SL-modellen vond niet, zoals bij zijn voorgangers, in Sindelfingen plaats, maar was om capaciteitsredenen naar Bremen verplaatst. Daar ging in maart 1989 de serieproductie van start. ![]() Vanaf oktober 1992, drieeneenhalf jaar na zijn presentatie in Genève, was de SL ook met de rond 400pk sterke 6-liter V12 motor leverbaar, die zich reeds in de limousines en coupé’s van de W140 reeks bewezen had. Ter verdere vermindering van de schadelijke stoffen uitstoot werd het injectie systeem gemodificeerd en werd tevens afgezien van de mengsel-verrijking bij volgas. De sterkste motor van het personenauto-gamma mobiliseerde daarmee “slechts” nog 394pk, 14 pk minder dan de oorspronkelijke versie. Het nieuwe topmodel van de SL-serie was standaard met een hele reeks aan extra’s uitgerust, die bij de 500 SL alleen tegen meerprijs leverbaar waren. Naast het adaptieve dempersysteem met niveau-regeling aan de voor- en achteras omvatte de basisuitrusting onder andere: Tempomat, automatisch dimmende binnenspiegel, koplampwissers, automatisch geregelde airco, lederen bekleding en stoelverwarming. Uiterlijk kon de 600 SL alleen aan het typeplaatje en de beide “V12” emblemen herkend worden, die bij de luchtuitstroom openingen achter de wielkasten aan de voorzijde waren geplaatst. Met het verschijnen van het nieuwe topmodel werd ook de 500 SL licht verbeterd. De voordien gebruikte versie van de vierkleps-V8 met Bosch KE-Jetronic injectie werd door de “Einheitsdeckmotor” vervangen, die reeds werd ingezet in de 500E en in de limousines en coupé’s van de S-Klasse. Karakteristiek voor de nieuwe motor waren het gewijzigde motorcarter en het electronisch geregelde Bosch LH-Jetronic injectie-systeem met luchtmassa-meting. Net als bij de V12 motor had men ter vermindering van de schadelijke uitstoot ook hier op de mengsel verrijking bij volle belasting afgezien. Een maatregel die niet alleen de SL, maar ook de andere typen met V12 en V8 krachtbronnen betrof. In het geval van de 5-liter motor betekende dit een prestatie verlies van 6pk. In juni 1993 werden ook de type-aanduidingen van de SL modellen aan de nieuwe naamgeving aangepast, die naar aanleiding van de W202 C-Klasse presentatie was ingevoerd. De legendarische en rijk aan traditie afkorting “SL” werd nu door een 3-cijferig getal gevolgd. Tegelijkertijd waren er ook technische wijzigingen te noteren. Beide zescilinder modellen kregen nieuwe motoren. De tweekleps en vierkleps varianten van de bekende 3-liter motoren werden door twee vierkleppers met 2,8- en 3,2 liter cilinderinhoud vervangen. De 2,8 liter motor van de SL 280 werd sinds oktober 1992 in de W124 serie en in de S-Klasse limousine 300 SE 2.8 gemonteerd en overtrof de M103 qua vermogen en koppel zonder een hoger verbruik te eisen. Bij de 3,2 liter motor, die zich al sinds maart 1991 in de S-Klasse modellen 300 SE en 300 SEL had bewezen, was het vermogen vergeleken met de vierkleps M103 weliswaar gelijk, maar dit werd reeds 900 tpm eerder bereikt. Het maximum koppel lag duidelijk hoger en dat werd bereikt bij een lager toerental. De SL 280 was enige versie nog met een handgeschakelde 5-bak leverbaar, alle andere modellen werden standaard van een automatische bak voorzien. In september 1995 werden op de Frankfurter IAA de optisch en technisch geactualiseerde SL-modellen gepresenteerd. De opgewaardeerde varianten kenmerkten zich door een licht gewijzigd carrosserie-ontwerp, een meer uitgebreide standaarduitrusting en nieuwere techniek. De carrosserie werd slechts minimaal veranderd. Nieuw vormgegeven voor- en achterbumpers, kleurloze knipperlichtglazen aan de voorzijde en de licht gewijzigde grille met nu zes lamellen lieten de SL nog dynamischer lijken. De zijbeplating was, net als de bumpers, niet meer in een contrasterende kleur gelakt. Deze platen waren nu in de kleur van de auto gespoten en bevatten bovendien gewijzigde uitstroomopeningen. Verdere vernieuwingen waren de geheel in rode kleur lijkende bichromatische achterlichten en nieuwe lichtmetalen velgen in 12-gaats design, waarmee alle SL-typen standaard geleverd werden. Op verzoek stond bovendien een glazen dak met zonnescherm ter beschikking, dat in plaats van de gebruikelijke hardtop gemonteerd kon worden. In het interieur werden de portierpanelen, stuurwiel en stoelontwerp aangepast. ![]() Koplampen met Xenon-gasontladingslampen, die enkele maanden daarvoor voor het eerst in de nieuwe E-Klasse W210 waren voorgesteld, werden nu ook in de R129 leverbaar. Vergeleken met de gebruikelijke halogeen lampen bereikten de Xenon lampen de dubbele lichtsterkte en zorgden daarmee voor een betere en fellere verlichting van de weg. Verdere technische verbeteringen betroffen de motoren en de versnellingsbak van de typen SL 500 en SL 600. Bij beide modellen werd vanaf september 1995 een volledig nieuw ontwikkelde 5-traps automaat met Wandler koppelomvormer ingezet, die de voordien gebruikte bak met hydraulische regeling afloste. Basis was een elektronisch geregelde aansturing van de bak, die de schakelverhoudingen snel en zelfstandig aan elke rij-situatie aanpaste en die permanent met het elektronische motormanagement in verbinding stond. De motoren werden ter verdere vermindering van het brandstofverbruik en de schadelijke uitstoot nogmaals opgewaardeerd. De 5-liter V8 motor kreeg voor dit doel een gemodificeerde krukas, een geoptimaliseerde klepregeling, lichtgewicht zuigers, afzonderlijke bobines per cilinder, alsmede een verbeterd motormanagement systeem. De constructieve wijzingen aan de V12 motor waren minder omvangrijjk en omvatten alleen de plaatsing van de bobines en het motormanagement. Tevens stond vanaf september 1995 voor beide modellen het Elektronische Stabiliteits Programma ter beschikking, dat de bestuurder door middel van sensorgestuurde remingrepen bij eventuele fouten ondersteunde en daardoor de instabiele momenten ophief. Bij de SL 500 was het als extra leverbaar, bij de twaalfcilinder behoorde het tot de standaarduitrusting. Vanaf juni1996 was de nieuwe elektronisch geregelde automaat ook voor de zescilinders SL 280 en SL 320 leverbaar; bij de 2,8-liter variant op verzoek, bij de 3,2-liter was het standaard. Sinds december 1996 konden de met deze automaat geleverde wagens ook met het ESP systeem besteld worden. Tegelijkertijd kwam men met een wereldprimeur, die eveneens de actieve veiligheid diende, namelijk de remassistent. Deze voorziening werd standaard in alle modellen van de W140 en R129 gemonteerd. Dit systeem was in staat een noodstop te herkennen en kon, indien noodzakelijk, automatisch en binnen zeer korte tijd de maximale remdruk opbouwen. Vanaf april 1998 werd ESP bij de modellen SL 500 en SL 60 AMG in de lijst van standaardvoorzieningen opgenomen. Eind april 1998 werd op de Automobielsalon van Turijn een geactualiseerd SL-typenpro-gramma met nieuw ontwikkelde motoren en een licht gewijzigd ontwerp gepresenteerd. Tot de belangrijkste maatregelen van deze update behoorde de introductie van een nieuwe V-motorengeneratie met zowel zes alsook acht cilinders, die nu ook in de SL de M104 zes-cilinder lijnmotor en de M119 V8 aflosten. Dankzij drie-kleps techniek en dubbele ontsteking verbruikten de nieuwe motoren tot tien procent minder brandstof. Het topmodel SL 600 beschikte nog steeds over de M120 twaalfcilinder motor. De SL 60 AMG kwam te vervallen en was sinds juni 1998 niet meer leverbaar. ![]() Het ontwerp werd nogmaals beschaafd gemoderniseerd. Een licht gewijzigde achterzijde, waar de nu monochromatische achterlichtglazen in drie delen waren gevormd, een nieuwe ovale afdekking van de uitlaatpijp en een aanpassing aan de bumpers. Ronde vormen domineerden nu ook bij de buitenspiegels, die aan het SLK ontwerp waren aangepast en tevens het meest opvallende kenmerk van deze modelreeks betroffen. Portiergrepen en losse aanbouwdelen van de carrosserie waren tevens in de hoogglans kleur van de auto gespoten. De afmetingen en het ontwerp van de wielen werden ook vernieuwd. De gefacelifte SL-typen waren standaard met vijfgaats lichtmetalen velgen en banden in de maat 245/45 ZR17 uitgerust. In het voorjaar van 1999 werd het gamma van de R129 met twee bijzonder sterke modellen uitgebreid. De SL 55 AMG was van een 354pk sterke V8 motor voorzien, terwijl het V12 aggregaat van de SL 73 AMG het zelfs tot 525pk bij een maximum koppel van 750Nm schopte. De topsnelheid was bij beide modellen weliswaar elektronisch tot 250km/u begrensd, maar op verzoek van de klant kon dit worden opgeheven. In augustus 1999 werd het ESP systeem ook bij de zescilinder modellen standaard geleverd. Twee jaar later, in juli 2001, kwam de allereerste SL van de nieuwe generatie R230 op de markt, een SL 500. Diezelfde maand liep in de fabriek in Bremen de laatste van in totaal 204.940 exemplaren van de R129 modelreeks van de band. Daarmee was dit model iets minder populair dan de R107 (237.287 stuks), maar met een jaarproductie van gemiddeld 16.500 auto’s lag de R129 weer ver voor. Populairste model was de met de M119 vierkleps-V8 5-liter motor voorziene versie, waarvan 79.827 auto’s geproduceerd werden. De veruit zeldzaamste variant was de SL 280 met V6 motor, die vanaf 1998 als instapmodel fungeerde. Totaal rolden hier 1.704 stuks van de fabriek uit. Bron: Daimler AG. |