
| Mercedes-Benz W108/ W109 |
(1965-1972)In 1965 werd de nieuwe S-klasse geïntroduceerd. Belangrijkste verschil met zijn voorganger, de zogenaamde ‘Heckflosse’ was het uiterlijk. De Amerikaanse stijlelementen waren verdwenen, het ruitoppervlak werd vergroot en de middellijn verlaagd. De styling van de W108/109 toonde verwantschap met de coupés en cabriolets van de W111/112 serie. Deze fraaie modellen, die in 1961 op de markt kwamen, waren ten opzichte van de limousines lager en breder en hadden bovendien een strakkere achterzijde. De chroombumpers werden minder massief en voorzien van rubberen stootstrips. Het resultaat was een prachtige ingetogen klassieke lijn. Heden ten dage wordt de W108/109 nog immer gekenschetst als een elegante auto. Daimler-Benz introduceerde met de nieuwe serie de ‘Sonderklasse’ vooruitlopend op de eind 1967 te verschijnen nieuwe serie W114/W115, de eerste ‘E –klasse’. Daarmee bewoog de S-klasse zich nu nog uitsluitend in het hogere segment. De Heckflosse was immers ook verkrijgbaar met een kortere voorzijde en kleinere motorisering als instap model van Mercedes-Benz. De W108/109 was voorzien van kreukelzones voor en achter, een vervormbare stuurkolom, veiligheidssloten en schijfremmen rondom. Kenmerkend voor alle S-typen was dat zij behoorden tot de veiligste auto’s van hun tijd. Wat de techniek betreft veranderde er weinig. De achterasconstructie met de pendelas uit de jaren vijftig bleef gehandhaafd, zij het dat daaraan een hydropneumatische compensatieveer werd toegevoegd. De cilinderinhoud van de zes cilinder 220-motor werd vergroot tot 2.496 cc en getypeerd als 250 S. De krukas had nu een zevenvoudige lagering, wat een rustiger loop tot effect had. De motor leverde 130 pk. In de SE versie met mechanische benzine inspuiting lag dit vermogen 20 pk hoger. Daarnaast stond de ‘oude’ 300 Alu-motor nog op het programma. In 1968 werd de boring van de 250 motor vergroot, waarmee de cilinderinhoud op 2.778 cc uit kwam. Hiermee ontstonden de 280 S en SE met respectievelijk 140 en 160 pk. De SE-injectiemotor werd ook in de luchtgeveerde 300 SEL (W109) geplaatst ter vervanging van de 300-motor. Als topmodel werd toen ook de 300 SEL 6.3 in het leveringsprogramma opgenomen. Deze was voorzien van de sterke V8 motor uit de 600 limousine. De 6.3 leverde uitzonderlijke prestaties. In 1969 kwam er een ‘gewone’ V8- motor beschikbaar met een cilinderinhoud van 3.499 cc. Deze motor was ontwikkeld voor de opvolgende S- en SL(C)-klasse en mocht alvast een goede reputatie opbouwen. De motorcodering M116 verwijst reeds naar W116. De 3,5 liter was als eerste verkrijgbaar in de 300 SEL 3.5, naast het topmodel met 6,3 liter-motor, en in de coupé en cabriolet van het type W111. Twee jaar later verscheen de 3.5 tenslotte ook in de 280 SE(L). In 1971 verscheen er een krachtigere V8 van 4.520 cc. (M117) door de slag van de zuigers te vergroten. Deze 280 SE(L) 4.5 en 300 SEL 4.5 waren alleen beschikbaar voor de Amerikaanse markt en voldeden aan de daar geldende emissie eisen. De M116- en M117-motoren hebben in voortschrijdende ontwikkelingen dienst gedaan tot in de W126. In 1972 werd de W108/109 afgelost door de W116. Dit nieuwe model was in techniek en vormgeving een geheel andere auto en werd door Mercedes-Benz zelf voor het eerst als S-klasse betiteld.
250 S en 250 SE (1965-1968) In 1965 werden de 250 S en de SE aangeboden. Het basismodel kostte in Nederland destijds zo’n fl. 20.000,-. Voor de inspuitmotor moest fl. 2.500,- meer betaald worden. Een VW kever was al voor fl. 5.500,- verkrijgbaar. Standaard was de auto voorzien van een handgeschakelde vierversnellingsbak, waarbij gekozen kon worden tussen stuurschakeling of een vloerpook. Tegen meerprijs was een automatische vierversnellingsbak met hydraulische koppeling te verkrijgen. De motoren waren voorzien van een door een duplexketting aangedreven bovenliggende nokkenas. De 250-motoren leden aanvankelijk onder olieverbruik door belasting bij hoge toeren. Bij normaal gebruik en het regelmatig controleren van het oliepeil kenden ze een lange levensduur. De SE was voorzien van een kostbare mechanische brandstofpomp. Het extra motorvermogen betekende concreet een snellere acceleratie (0-100 km/u in 12 sec i.p.v. 13) en een hogere topsnelheid (193 km/u i.p.v. 182 km/u). Ondanks de relatief hoge prijs werd de SE goed verkocht.
300 SE (1965-1967) en 300 SEL (1966-1967) De 300 SE was de opvolger van het topmodel uit de Heckflosse serie, met dezelfde lichtmetalen motor uit de vijftiger jaren. Echter was de auto niet voorzien van de 300 kenmerkende luchtvering. Uiterlijk onderscheidde de uitvoering zich niet van de 250 S. Stuurbekrachtiging en automatische versnellingsbak waren standaard. Vanaf 1967 was op verzoek ook een handmatige vijfbak van ZF verkrijgbaar zonder meer- of minderprijs. De 300 SE kostte fl. 12.000,- meer dan een standaard 250 S. Vanaf 1966 was de 300 SEL verkrijgbaar. Daarmee kreeg de serie een waardig topmodel, standaard uitgevoerd met luchtvering, elektrische raambediening en velours bekleding. De prijs bereikte daarmee een hoogte van fl. 40.000,-. De SEL was een ideale chauffeursauto door de extra beenruimte achterin. De 300-motor presteerde niet veel beter dan de 250. Met 170 pk was het vermogensverschil met een 250 SE niet groot.
280 S en 280 SE (1968-1972) In januari 1968 kwamen de nieuwe 2,8 liter-motoren op de markt ter vervanging van de 250 S en SE. Echter bleef de 250 S om prijstechnische redenen nog veertien maanden in productie. De prijs van het instapmodel werd daarbij met fl. 1.000,- verlaagd. Het grootste verschil met de 250 betrof de constructie van de motor. Bij de 250 stonden de cilinders paarsgewijs achter elkaar. In de 280-motor werd de hartafstand van de cilinders gelijk gesteld. De cilinderkop en nokkenas werden aangepast en de zuigerveren werden voorzien van molybdeen. Verder werden de klepstelen met natrium gevuld en voorzien van het ‘Rotacap’- systeem welke de kleppen roteerde om inbranden te voorkomen. Hiermee zouden de thermische en smeringproblemen van de 250 motor tot het verleden behoren. De vermogenswinst was 10 pk per uitvoering S of SE.
280 SEL (1968 en 1971) en 300 SEL (1968-1970) Ook de 280 was verkrijgbaar in de lange versie. De carrosserieverlenging met 10 cm. was het enige onderscheid met de SE. De meerprijs t.o.v. de SE was zo’n fl. 4.500,-. De 300 SEL werd gelijktijdig aangeboden met een gelijke motorisering, aangezien een ‘gewone’ V8 motor nog in ontwikkeling was. Deze 2,8 liter ontwikkelde in het topmodel wel 10 pk meer en bracht het daarmee tot 170 pk, zoals, in de 280 SL (W113, Pagode). De uitvoering verschilde behoorlijk van de 280 SEL. Luchtvering, stuurbekrachtiging, elektrische ramen en centrale portiervergrendeling behoorden tot de standaarduitrusting. De 300 SEL stond voor fl. 36.000,- te boek. Tot 1968 betekende de L in de typering (SEL) dat de auto voorzien was van luchtvering. Daarna stond de L voor verlengde versie en ontstond de W109 als modelcode voor de SE-typen met luchtvering.
300 SEL 6.3 (1968-1972) Het lukte Mercedes technici om de M100, de grote V8 motor met een cilinderinhoud van 6,3 liter uit de 600 limousine, in de W109 onder te brengen. Het resultaat was een sensationele auto, een limousine met sportieve aspiraties. Met een acceleratie van 0-100 km/u in 6,5 seconden hield de SEL met gemak de destijds fameuze sportwagens bij. De auto kreeg al gauw het stempel ‘beste auto van de wereld’. Het bestuur van Daimler-Benz zag aanvankelijk geen markt voor de auto, maar na een aarzelend groen licht werden er in vier jaar tijd uiteindelijk 6.256 stuks verkocht. De 6,3 liter-motor ontwikkelde 250 pk en een koppel van 500 Nm bij 2.800 tpm. De topsnelheid bedroeg ruim 220 km/h. De motor was voorzien van één bovenliggende nokkenas per cilinderbank en werd gevoed door een mechanische achtvoudige plunjer inspuitpomp van Bosch. Standaard werd de 300 SEL 6.3 uitgevoerd met automatische transmissie, elektrisch bedienbare ruiten, centrale portiervergrendeling, velours bekleding, stuurbekrachtiging en uiteraard de luchtvering. Het uiterlijk onderscheid werd gevormd door de verticaal geplaatste dubbele halogeenkoplampen, welke al voor de USA versies standaard was en die later op andere modellen vaak als optie besteld werd, de iets grotere bandenmaat en de grote mistlampen aan de voorzijde. De 6.3 kostte aanvankelijk fl. 52.000,- en was met de volgende opties leverbaar: airconditioning, hoofdsteunen en veiligheidsgordels, schuifdak, telefoon, radio, lederen bekleding, kofferset en banden met witte rand. De M100 was de eerste motor die AMG onder handen nam en waar zij als 6,8 liter-versie racesuccessen mee behaalde. Deze motorvergroting vond zijn vervolg in de 450 SEL 6.9 (1975-1980).
300 SEL 3.5 (1969-1972) In 1969 werd de nieuwe V8 motor geïntroduceerd in de 300 SEL 3.5. Het gat tussen de ‘gewone’ 280 en de ‘bijzondere’ 6.3 werd daarmee opgevuld. Het grote verschil met de andere motoren is de elektronische benzine inspuiting van het type Bosch D-jetronic . De grote en dure mechanische inspuitpomp behoort nu tot het verleden. De standaard uitvoering kwam overeen met de 6.3. met uitzondering van de lampen, toerenteller en bandenmaat. In 1971 stonden de 3.5 voor fl. 43.000,- en de 6.3 voor fl. 59.000,- in de boeken. Een Opel Kadett bracht het tot fl. 6.500,-.
280 SE (1971-1972) en 280 SEL (1971-1972) In de laatst twee jaren van de productietijd kwam de 3,5 liter-motor ook beschikbaar voor de W108. Daarmee werd de V8 motor voor meer Mercedes-Benz rijders beschikbaar. De 280 SEL 3.5 was zo’n fl. 10.000,- gunstiger geprijsd dan de 300 SEL 3.5. De kortere versie, de 280 SE 3.5, stond voor fl. 4.000,- minder in de prijslijst dan de 280 SEL 3.5.
280 SE 4.5 en 300 SEL 4.5 Het verder ontwikkelen van de 3,5 liter V8 motor was noodzakelijk om aan de Noord-Amerikaanse milieueisen te voldoen, waaronder het gebruik van loodvrije benzine viel. Zo ontstond de 4,5 liter-motor die later furore maakte in de 450 SE en SEL’s uit de W116 S-klasse. Deze M117-motor werd uitgevoerd met de nieuwe drietraps-automaat met koppelomvormer, welke soepeler schakelde en veel meer comfort gaf dan de automaten met hydraulische koppeling uit de jaren zestig. De 4,5- versies werden allen in Amerika geleverd met een voor dat continent passende standaard uitvoering, waaronder airconditioning, warmte werend glas, elektrisch bedienbare ruiten, centrale vergrendeling en een Becker radio. De 300-versie was uiteraard voorzien van luchtvering en verder uitgevoerd met wortelnotenhout en lederen bekleding. |