Mercedes-Benz W116


Geschiedenis van de W116 modelreeks


In september 1972 werd een volledig nieuw ontwikkelde voertuiggeneratie van de hogere klasse aan het publiek gepresenteerd. De voor het eerst zo genoemde “Mercedes-Benz S-Klasse” (interne benaming W116) loste de modelreeks W108/109 af en omvatte aanvankelijk de typen 280S, 280SE en 350SE. Een half jaar later werd de S-Klasse limousine, parallel aan de 450SL en de 450SLC, ook met de grotere 4,5 liter V8 motor aangeboden. Op hetzelfde tijdstip verscheen de 450SEL met een met 100mm verlengde wielbasis. Zoals bij de voorgaande modelreeksen kwam de ruimtewinst de beenruimte achterin ten goede. De verlengde versie was vanaf november 1973 ook als 350SEL en vanaf april 1974 tenslotte ook als 280SEL verkrijgbaar.

Een opmerkelijke technische noviteit die voor het eerst bij de limousines van de W116 werd gerealiseerd was de reeds in de C111 beproefde voorwielophanging met boven en onder dwars geplaatste wieldraagarmen met stuur camber 0 en anti-duik voorziening bij het remmen. Dit maakte een verdere verbetering van de rij-eigenschappen mogelijk. De achterwielophanging kwam in grote lijnen overeen met de constructie die zich in de “Strich 8” modellen inmiddels sinds jaren had bewezen en bovendien in de 350SL toegepast werd.

1

Ook met betrekking tot de passieve veiligheid markeerde de S-Klasse de technische maatstaf. De veelzijdigheid van de bij de 350SL voor het eerst gerealiseerde veiligheidsrelevante constructiedetails kwam vanzelfsprekend zonder beperking ook de S-Klasse limousines ten goede. Zo bevond de brandstoftank zich nu niet meer in de achterzijde, maar was nu “crash-veilig” boven de achteras ingebouwd. In het interieur zorgden het dik beklede dashboard, de vervormbare of verzonken geplaatste schakelaars en hendels, alsmede een komvormig vierspaaks veiligheids stuurwiel met een brede, beklede afdekplaat voor de grootst mogelijke bescherming bij een botsing. Belangrijkste verbetering in vergelijk met de voorgaande modelreeks was de nog stabielere passagiers veilig-heidskooi met een verstevigd dakframe, geharde dak- en portierzuilen,alsmede de versterkte portieren. De energie absorbering van de kreukelzones voor en achter  kon door een gecontroleerde mogelijkheid tot vervor-ming van de voor- en achterzijde duidelijk vergroot worden.

Goede zichtverhoudingen  werden door speciale windgeleidingsprofielen aan de A-zuilen gegarandeerd, die bij regen als afvoergoten voor vuil water fungeerden en de zijruiten ook bij slecht weer schoon hielden. Verdere veiligheidsrelevante details waren de breed rondom de carrosserie lopende, ook zijdelings goed zichtbare rich-tingaanwijzers alsook de groot formaat achterlichten, die dankzij het geribbelde oppervlak grotendeels ongevoelig voor vervuiling waren.

In mei 1975 werd de 450SEL 6.9 als nieuw topmodel van deze reeks en als legitieme opvolger van de 300SEL 6.3 gepresenteerd;  de sterk presterende 6,9 liter V8 motor, ontwikkeld uit de beproefde 6,3 liter krachtbron, haalde een vermogen van 286pk/4250tpm en een maximum koppel van 56mkg (550Nm)/3000tpm.

Maximum rij-comfort werd gegarandeerd door de voor het eerst bij een personenauto toegepaste hydropneuma-tische vering met niveauregeling. Overige speciale accessoires, die tot de standaarduitrusting van het topmodel behoorden, waren centrale portiervergrendeling, airconditioning en koplampwissers. Net als zijn directe voorganger kon ook de 450SEL 6.9 vanaf het begin als een groot succes betiteld worden. Hoewel hij meer als twee maal zo duur was als een 350SE werden in zijn productietijd van 4,5 jaar 7.380 exemplaren gebouwd.

32

Tussen november 1975 en februari 1976 werd het brandstof injectie systeem van de 2,8 liter, 3,5 liter en 4,5 liter injectie motoren aangepast om aan de inmiddels ook in de meeste Europese landen verscherpte emissie-eisen te kunnen voldoen. Van de electronisch geregelde Bosch “D-Jetronic” stapte men over op de nieuw ontwikkelde, mechanisch geregelde Bosch “K-Jetronic”. Deze omschakeling ging in alle drie de gevallen met geringe prestatie verliezen gepaard.  Bij de 2,8 liter en de 3,5 liter had men tegelijkertijd de compressieverhouding iets verlaagd. Ter vereenvoudiging van het onderhoud kregen de beide V8 motoren in het kader van deze maatregelen een contacloze transistor-ontsteking en  hydraulische klepspelingscompensatie.

Parallel aan de 2,8 liter injectie motor werd bij de carburatie motor eveneens de compressieverhouding verlaagd, wat ook in dit geval een gereduceerd prestatie vermogen tot gevolg had. Ruim 2 jaren later, vanaf april 1978, stonden de oorspronkelijke prestaties bij de drie modellen met injectie motor weer ter beschikking. Bij de 2,8 liter had men, in tegenstelling tot de carburatie versie, de compressieverhouding weer tot de oorspronkelijke waarde verhoogd. Bij de beide V8 modellen werd het voormalige prestatievermogen grotendeels door wijziging- en aan het uitlaatsysteem weer bereikt.

45

In mei 1978 werd het modellenprogramma van de W116 reeks nog éénmaal uitgebreid.  Als nieuw lid van de familie baarde de 300SD in vakkringen net zoveel opzien als de 450SEL 6.9 drie jaar eerder. Hij was echter aan het tegenovergestelde deel van het prestatiepotentieel geplaatst. Het nieuwe S-Klasse model werd, voor het eerst in de geschiedenis van deze voertuig categorie, door een dieselmotor aangedreven. De 3 liter 5-cilinder motor, die zich respectievelijk in de typen 240D 3.0 en de 300D uitstekend bewezen had, was voor zijn nieuwe taak van een turbocompressor voorzien die een vermogensstijging tot 115pk mogelijk maakte. De ontwikkeling van deze ongebruikelijke S-Klasse variant, die uitsluitend in de Verenigde Staten en Canada aangeboden werd, was men begonnen met de doelstelling om aan de door de VS regering ingevoerde verbruikseisen te kunnen voldoen.

Doorslaggevende factor was daarbij het zogenaamde “modelgamma-verbruik”, een uitvinding door de regering Carter , die het gemiddelde verbruik van alle door een fabrikant aangeboden personenauto modellen aangaf. Met een uitgebreid aanbod aan traditioneel zuinige dieselmodellen kon dit gemiddelde verbruik onder de wettelijk vastgestelde limiet gebracht worden.

Een toonaangevende technische innovatie werd vanaf herfst 1978 exclusief in de S-Klasse limousines van de W116 modelreeks aangeboden: het samen met Robert-Bosch GmbH ontwikkelde Anti-Blokkeer-Systeem, dat de onbeperkte bestuurbaarheid van een voertuig ook bij een noodstop garandeerde en daarmee een wezenlijke bijdrage aan de actieve veiligheid leverde. Tegenwoordig haast vanzelfsprekend en ook in compacte auto’s leverbaar was de introductie van ABS destijds een echte sensatie.

Veiligheid op een heel andere wijze boden de speciaal beveiligde (gepantserde) uitvoeringen van de W116 serie. Gebaseerd op de ervaringen, die men bij de ontwikkeling van de gepantserde 280SEL 3.5 had verzameld, kon de beveiligingstechniek verder worden verbeterd. Van de achtcilinder modellen 350SE, 350SEL, 450SE en 450SEL werden totaal 292 exemplaren als “Sonderschutz-Fahrzeuge” geproduceerd en aan speciale klanten, waaronder talrijke staats instanties in Europa en overzee geleverd.

678

Opvolger van de eerste S-Klasse modelreeks werd de in september 1979 op de Frankfurter IAA voorgestelde W126 serie. De productie van de W116 was daarmee echter nog niet gestopt, maar liep, afhankelijk van het type, pas tussen april en september 1980 ten einde.  Als laatste van de alles met elkaar 473.035 geproduceerde exemplaren van deze reeks passeerde een 300SD de eindcontrole in de fabriek te Sindelfingen.


Bron: Daimler AG.
 
ddbanner
ccbanner

batenburgbanner